Waarom dit alles?

margo fontijne zingevingWaarom gamba?


Achteraf gezien is het onvermijdelijk dat ik gamba verkozen heb als mijn instrument. Of dat de gamba mij gekozen heeft, wie zal het zeggen.
Maar jarenlang was het voor mij als jongere juist erg prettig om niks te kiezen maar alles te blijven doen, meervoudig getalenteerd en breed geïnteresseerd, gretig en nieuwsgierig als ik was en ben.
Toch wist ik het eigenlijk al vroeg: vanaf het moment dat ik bij ons thuis een grammofoonplaatje hoorde van een gambaconsort met muziek van Samuel Scheidt, was ik verkocht voor de klank ervan; en in mijn eerste kinder-muziekcursus genoot ik als een wilde van het samen zingen en spelen. Van toen af aan wist ik het: bij ensemble-klank en ensemblespel, lag mijn verlangen, mijn honger, mijn dorst. Een ensemble-instrument lag dus voor de hand - maar nog steeds koos ik niet, en bleef ik naast gamba altijd ook andere instrumenten bespelen.
Maar omdat een mens nu eenmaal ook regelmatig alleen speelt is het de gamba die op eenzame hoogte interessant gebleven is. Voor mij is gamba de koningin:
Als geen ander 'melodie'-instrument is een gamba meerdere instrumenten in één. De duidelijke registers in het instrument maken dat je vanzelf verschillende rollen speelt: een melodie, een begeleiding. Door het grotere aantal snaren, de stemming en de bouw heeft gamba een verrukkelijk resonante boventoonrijke klank, en accoordspel is veelvoorkomend. En daarbij: je kunt erop kletsen, gillen, huilen, schreeuwen van pijn en verlegen mompelen, fluisteren en zeuren, bemoedigend brommen en troostend zoete woordjes spreken.
Een gamba is meer dan één instrument en een gamba is ook een spreker en zanger.
Daarom speel ik gamba.
 

Muziek is nooit 'oud'.


Één van de bijzondere aspecten van ons vak is dat muziek iedere keer opnieuw gecreëerd wordt, en dus in essentie nooit hetzelfde zal zijn. Zo is dus ook mijn 'materiaal', de oude muziek, nooit alleen maar oud. Wij spelen voor een publiek van nu met oren van nu.
Dat zij mogelijk ook Mahler, Gershwin en Xenaxis gehoord hebben, jazz en vele decennia popmuziek, maakt al dat zij nooit zo naar Dufay kunnen luisteren als diens tijdgenoten, naar Marchetto Cara, naar Gesualdo, naar Bach. Dat er in onze tijd overal en altijd muziek klinkt is al bijzonder. Nog niet eens zo lang geleden klonk er alleen maar muziek wanneer er ter plekke gezongen of gespeeld werd, en voor de rest was er ruisen van wind of zee, vogels, straatgeluiden, en verder stilte.
Ook wijzelf, zangers en spelers, zijn mensen van nu, en het is daarmee onmogelijk dat wij de oude muziek precies zo spelen en zingen als de musici van toen.

Is dat erg? Nee, dat is niet erg! Integendeel, daar ligt een extra kans.
Ik vind het een ontroerende gedachte, dat muziek pas levend is in handen van levende mensen. Dwars door al die eeuwen heen geeft dit een gevoel van contact en saamhorigheid met onze collega's, de muzikanten van toen. En met de componisten.
Ik zie het als een bijzondere opdracht om iets terug te laten horen van de bewondering voor hun werk en de fascinatie over hun leefwereld. Al ben ikzelf dan ook opgegroeid met de Beatles en hoorde ik gisteren Ligeti en Caro Emerald, en ook al zitten nu overal in de wereld jonge componisten in hun kamertjes geheel nieuw werk te schrijven, dat onze serieuze aandacht ook zo verdient.
Toch is het mijn weg om publiek en leerlingen te winnen voor de schatkamer die de oude muziek is. Mijn bevlogenheid, mijn geestdrift over de schoonheid van dit repertoire en van onze instrumenten, wil ik overbrengen - door voor of met hen te musiceren en daarmee de muziek levend te maken. Van de 16e-eeuwse mens, via mij als mens, tot de luisteraar als mens.

Zingen en zeggen


Ik was een liedjeskind. Een vroege herinnering: op zondagmorgen in bed met een versjesboek, terwijl ik de gedichtjes al zingend van zelfbedachte melodieën voorzag. Een andere herinnering: een boekje met Nederlands liedrepertoire: ik leerde mezelf van blad zingen, gretig om de overvloed aan mooie oude melodieën te leren kennen: 'Wilt heden nu treden', 'Het daget in den Oosten', 'Schoon lief hoe ligt u hier en slaapt', ze liggen nog altijd dicht bij mijn ziel.
Veel later nam ik zangles, zong ik jarenlang in koren en leerde er een schat aan prachtige oude muziek kennen. Ik leerde solmiseren, koorintonatie, en talloze kleine kneepjes over uitspraak, articulatie en timing, dynamie, adem en frasering.
In dezelfde jaren maakte het Arcadia-project aan het conservatorium mij bewust van de rol die retorica in de barokmuziek speelt, en dit viel bij mij in een vruchtbare aarde. Ik leerde waar de expressie te zoeken is, in welke woorden, in welke harmonische en melodische gebeurtenissen - en ik leerde om daarin als instrumentalist de zanger volwaardig tegenspel te bieden.
Mijn gambadocente Anneke Pols was onvermoeibaar om mij te laten zoeken hoe ik datgene wat ik wilde laten horen, te vertalen in 'gambataal', en dat leverde me een gedifferentiëerd repertoire op van klankkleuren, frasering en articulatie, dat in mijn handen mijn zingende collega's vleugels geeft.
De fascinatie met zang en taal heeft mij nooit verlaten en ik kan mij gelukkig prijzen om ook nu nog veel met zangers samen te werken.